paleontica-logo

 

Wetenschappelijke naamgeving

Taxonomie

Fossielen worden ingedeeld volgens een internationaal systeem van naamgeving. Het indelingssysteem is bedacht door de Zweed Linnaeus en is gepubliceerd in 1758. Sindsdien wordt dit systeem gebruikt voor alle botanische en zoölogische naamgeving, en dus ook voor alle fossielen.

De indeling is gebaseerd op visuele, anatomische, fysische en chemische eigenschappen. Er is echter ook een samenhang met evolutie, leefmilieu en in toenemende mate met genetica. Door de recente ontwikkelingen met DNA technieken worden klassieke indelingen echter vaak volledig herzien. Dit geldt vooral voor de nu nog levende soorten. Bij fossielen is deze techniek echter helaas (nog) niet mogelijk.

De indeling is gebaseerd op een indeling in verschillende hiërarchische categorieën. De primaire categorieën in de systematische naamgeving:

   Rijk (Regnum)
   -- Stam (Phylum)
   ---- Klasse (Classis)
   ------ Orde (Ordo)
   -------- Familie (Familia)
   ---------- Geslacht (Genus)
   ------------ Soort (Species)
   -------------- Ondersoort (Subspecies)

Ook worden er soms nog sub-indelingen gehanteerd zoals sub- en super- (bijvoorbeeld subfamilie).

 

Beschrijving van soorten

Elke soort hoort apart beschreven te worden in een wetenschappelijk tijdschrift. Als een soort meerdere keren beschreven blijkt te zijn, heeft de naam die als eerste beschreven is prioriteit. Bij het beschrijven van een soort wordt er altijd een zogenaamd Holotype benoemd. Dit is het fossiel waarop de beschrijving van de soort gebaseerd wordt.

Het Holotype (type-exemplaar) is karakteristiek voor de beschreven soort en bevat alle kenmerken. Volgens de regels van de kunst hoort dit holotype bewaard te worden op een toegankelijke plaats (bijvoorbeeld in de wetenschappelijke collectie van een museum of andere openbare collectie). Het is namelijk belangrijk dat het fossiel toegankelijk is voor verder wetenschappelijk onderzoek. Een Lectotype is een type-exemplaar dat is aangewezen nadat de regels over Holotypes van kracht werden. Als Holotype of Lectotype verloren is gegaan kan er een Neotype aangewezen worden. Alle andere specimens naast het Holotype worden Paratypes genoemd. 

Wetenschappelijke naamgeving van een fossiel

Bij het aanduiden van een naam van een fossiel wordt meestal alleen het genus en de soort en eventueel de ondersoort vermeld. De naam van een genus en subgenus wordt altijd met een hoofdletter geschreven en die van een soort met kleine letter. Namen worden cursief aangegeven. De namen zijn vaak, maar niet altijd, in het Latijn of ge-latiniseerd. We noemen dit de wetenschappelijke naam van het fossiel. 

Voorbeeld: Agnostus pisiformis

Wanneer de soort onbekend is dan wordt er achter het genus of subgenus (als je deze wel weet) "sp."  Gezet. Dit is een afkorting voor species. Als de soort wel bekend is, maar de bewuste ondersoort niet, wordt er "ssp." achter gezet. Dit staat voor subspecies.  Als het genus ook niet bekend is, wordt meestal de naam van de familie of hogere categorie vermeld.

Voorbeeld: Favosites sp. OF Megacardita planicosta ssp.

Wanneer er wordt getwijfeld aan de soortnaam worden de letters cf. er voor gezet. Dit staat voor het Latijnse 'confer' of 'vergelijk'. Je kan het lezen als 'gelijkend op...'. Voor een Agnostus sp., die lijkt op een A. pisiformis, maar mogelijk toch afwijkend is, schrijven we dus het volgende:

Voorbeeld: Agnostus cf. pisiformis

Na de naam van het fossiel wordt de naam van de auteur vermeld die de soort voor het eerst heeft beschreven en het jaartal van publicatie. Dit is niet enkel voor de sport, het geeft ook een pointer naar de publicatie waarin de bewuste soort eerst beschreven is (en waarin dus ook alle kenmerken opgelijst staan). Je kan het onderstaande voorbeeld dus ook lezen als 'Agnostus pisiformis, zoals beschreven in Linnaeus, 1757', waarbij 'Linnaeus, 1757' staat voor een specifieke publicatie.

Voorbeeld: Agnostus pisiformis Linnaeus, 1757

De auteur en jaartal moet tussen haakjes als de soort oorspronkelijk onder een andere naam is beschreven.

Voorbeeld: Aequipecten opercularis (Linnaeus, 1758)

Indien er een subgenus is beschreven, dient deze tussen haakjes na het genus vermeld te worden.

Voorbeeld: Neptunea (Sulcosopho) angulata (Wood, 1848)

Als er ondersoorten bekend zijn, worden deze vermeld na de soort.

Voorbeeld: Pygocardia rustica defrancei

Soms worden er ook nog binnen een soort of ondersoort “vormen” onderscheiden. Deze worden weergegeven met de vermelding “forma” en vervolgens de vormnaam.

Voorbeeld: Caracomia arctica forma spinosa Hildebrand-Habel and Streng, 2003

 

Zelf een bijzonder fossiel gevonden? Je vondst (laten) beschrijven.

Heb je een fossiel gevonden dat je maar nergens kan thuisbrengen. Bijzondere vondsten kunnen stof vergaren in een lade of schoendoos, of in een vitrine of kluis, maar daar heeft vrijwel niemand wat aan. Steeds vaker zien we mensen de stap zetten om iets met hun vondsten te doen. Het beschrijven van de vondst, of het nu een nieuwe soort is, een zeldzame verschijning, misschien een pathologie of een bijtspoor, is een eerste stap naar een hele nieuwe wereld van gevorderd fossielenverzamelen. Je kan je hierbij laten helpen door mensen met ervaring, of zelf de bibliotheek indijken en een artikeltje schrijven. Een combinatie van beide werkt het best. Er zijn tijdschriften van allerlei soort, waarin je je verhaal kwijt kan. Een artikel schrijven voor een wetenschappelijk toptijdschrift is een moeilijkere klus, maar er is geen regel die zegt dat een amateurverzamelaar dit niet zou mogen of kunnen. 

Maar in veel gevallen begint het wetenschappelijk engagement van de amateurverzamelaar met een goede samenwerking met een professional. Voor deze laatste is een extra paar scherpe ogen, kundige handen en hersenen op het terrein een zegen. Vanuit leuke samenwerkingen komt vaak als vanzelf meer voort. Een publicatie, een opgraving, ... Voor veel mensen begint het eerste contact met de wetenschappelijke praktijk met een bijzondere vondst, en de vraag deze af te staan voor een beschrijving. En in dat verhaal zien we meteen een aantal vragen regelmatig terugkomen.

Waarom zou ik een bijzonder fossiel afstaan voor beschrijving? Kan ik het niet gewoon even tijdelijk uitlenen of in de eigen collectie houden?

Dit is een vraag die we geregeld zien terugkomen. Wie het geluk heeft om een soort te ontdekken die nog niet beschreven is, kan de vraag krijgen deze af te staan voor een wetenschappelijke beschrijving. Dit leidt in veel gevallen tot een tweestrijd: natuurlijk is het fantastisch leuk om een bijdrage te leveren aan de wetenschap, en de erkenning ervoor te krijgen (vaak in de vorm van een dankwoord in de publicatie, maar het gebeurt soms dat de soort zelfs naar de vinder wordt vernoemd), maar aan de andere kant wordt gevraagd om het fossiel permanent af te staan! Waar is dat goed voor?

Wel, dat afstaan is niet omdat de wetenschapper die het fossiel wil beschrijven het stuk voor zichzelf wil houden. Het is een afspraak dat elke soort die beschreven wordt, in een toegankelijke collectie wordt opgenomen. Dit is enorm belangrijk, want het fossiel moet beschikbaar zijn voor verder onderzoek, als vergelijkingsmateriaal voor andere nieuwe soorten, of om de oorspronkelijke beschrijving te interpreteren en verifiëren. Hoewel sommige privé-collecties zich qua kwaliteit, orde en nauwgezetheid zonder moeite kunnen meten met de betere wetenschappelijke collecties, is dat zeker niet zo voor de doorsnee collectie. Daarnaast zijn er ook vragen rond toegankelijkheid en continuïteit. Wat als iemand verhuist of komt te overlijden? Bovendien is het niet erg praktisch om je holotypes in privé-collecties verspreid over het land te hebben. Kortom: een holotype, lectotype of neotype hoort thuis in een goed beheerde, toegankelijke wetenschappelijke collectie.

Ok, ik wil het wel afstaan, maar dan moet het in een vitrine, centraal in de permanente tentoonstelling van het museum!

Hoe fijn en informatief het ook zou zijn, het is voor de meeste musea niet wenselijk en mogelijk om de honderden of duizenden gedoneerde specimens allemaal een centraal plekje in de tentoonstelling te geven. Dus wellicht vindt jouw topvondst een plaats in een lade, ergens achter de schermen. 

Ik ben er zeker van dat ik iets bijzonders heb gevonden, en afstaan is geen probleem, maar de wetenschappers die ik aanschrijf lijken geen tijd of interesse te hebben!

Het is zo dat de meeste wetenschappers in een specifieke niche werken, en de tijd of praktijkkennis ontbreken om de beschrijving op zich te nemen. Het is dus goed mogelijk dat je wat verder, misschien over de landsgrenzen, zal moeten kijken om de juiste persoon te vinden. Laat je hierbij adviseren door je plaatselijke onderzoeksinstelling en door collega's. 

Feedback

Mist er iets op deze pagina? Of klopt er iets aan de tekst? Meld het ons.

Doneer

Wij zijn geheel afhankelijk van donaties. Daarom vragen wij onze gebruikers ons te helpen.

0.0%
Percentage van ons maanddoel gehaald deze maand

 Ik wil meer weten

Geo Kalender

Adv. GeoRockShop